Dromend naar de deadline
Britt van Tooren had gedroomd dat ze zich moest inschrijven voor het Amsterdams Kleinkunst Festival. Dus dat deed ze. Vijf minuten voor de deadline. “Andere deelnemers werden luid aangemoedigd door hele fanclubs die ze hadden meegenomen. Ik dacht steeds: “Wat doe ik hier, ik kan dit niet.’”
“Het Amsterdams Kleinkunst Festival is een geweldige ervaring en ongetwijfeld een van de hoogtepunten uit mijn leven. Maar het was ook zenuwslopend.
Je leert het vak namelijk pas écht op het podium. Vergelijk het met een wiskundetoets: maak je daar een fout, dan blijft dat op papier. Maar als je wilt leren optreden, dan moet dat voor publiek. En als je dan een fout maakt – wat er bijhoort, want je bent aan het leren – ziet een zaal vol mensen dat meteen.”
In aanloop naar de AKF Sonneveldprijs volgen de halvefinalisten het AKF/Keep an Eye-programma met masterclasses van gerenommeerde cabaretiers. Zoals Theo Maassen, Mike Boddé en Theo Nijland.
Impresariaten en andere spannende woorden
“De masterclasses zijn ontzettend leuk, maar ook best spannend, want het zijn vaak mensen tegen wie je enorm opkijkt. Dus al die jonge honden doen enorm hun best om nonchalant over te komen, maar iedereen denkt: Oeh, daar zit Ivo de Wijs en daar Raoul Heertje.
De masterclass van Raoul Heertje over stand-up comedy was voor mij een echte eye-opener. Ik kom uit de muziek- en theaterwereld, open mics en stand-up comedy, daar had ik nog nauwelijks ervaring mee. Dus ik dacht: nu val ik door de mand. Maar Raoul creëerde een ontzettend veilige en ontspannen sfeer. Hij was helemaal niet betweterig en probeerde ons niet te veranderen.
Hij gaf toe dat hij ook niet alle wijsheid in pacht heeft. Hij begon zijn sessie met: ‘Wat ik jullie ga vertellen, is wat voor mij werkt, maar haal er vooral uit wat voor júllie werkt.’ Hij benadrukte dat hij zelf het meeste heeft geleerd door regelmatig flink onderuit te gaan.
Hoe verder je in het wereldje komt, hoe nuchterder de cabaretiers blijken te zijn. Ze zeggen niet alles te weten terwijl er in dit beroep ook blaaskaken rondlopen. Ik sprak een jongen die zo vaak het woord ‘impresariaat’ gebruikte, dat ik het ben gaan turven. Het werd bijna komisch.”
Van vleugel tot lasagne
“Wat ik zo waardeer aan het AKF is de manier waarop ze met je omgaan. Er is in dit vak een groot aanbod en minder vraag, maar ze hebben ons altijd met ontzettend veel respect behandeld.
Dat is niet overal zo. Ik heb weleens ergens opgetreden – ik zal geen namen noemen – waar een vleugel zeg maar 75% van het podium in beslag nam. Toen heb ik beleefd -gevraagd of-ie verplaatst kon worden zodat ik een beetje kon bewegen op het podium. Nou, dat was absoluut onmogelijk. Daarna vroeg ik of ze mijn muziekbestanden hadden ontvangen. ‘Oh, ik weet het niet, vraag het maar aan Hans’, klonk het ongeïnteresseerd. Op zulke momenten krijg je het gevoel dat je dankbaar moet zijn dat je überhaupt mag optreden.
Gelukkig heb ik ook veel mooie ervaringen. Bij Theater ’t Web in Bleiswijk vragen ze een maand van tevoren wie er vegetariër is. Op de dag zelf komt vrijwilliger Margriet met haar zelfgemaakte lasagne, keurig ingepakt in aluminiumfolie, meegebracht vanuit thuis. Dat vind ik zo bijzonder lief. En ze maken zelfs een groepsfoto omdat ze het zo leuk vinden dat je er bent. Een warme ontvangst maakt echt een wereld van verschil.”
Waarom humor geen goedkope kunst is
“Ik schreef mijn scriptie over het nummer ‘Links Rechts’ van Snollebollekes. De school was daar helemaal niet enthousiast over, en mijn ouders zeiden: ‘Britt, doe dat nou niet, wees niet zo eigenwijs.’ Toch heb ik het gedaan. Ik ben cum laude afgestudeerd en de school heeft z’n excuses aangeboden.
Veel mensen zijn veel bezig met wat ‘goede’ kunst en vooral wat ‘slechte kunst’ is, en geven graag hier hun mening over. Op het conservatorium (afdeling muziektheater, hoofdvak zang) waar ik heb gestudeerd moesten we soms als huiswerk naar voorstellingen kijken waarin mensen in lycra pakjes schreeuwden en trommels kapotsloegen. Dat moest ik ‘mooi’ vinden omdat dat dan artistiek was en ‘een goed voorbeeld’.
Maar als ik veel liever naar Hans Klok in z’n glimmende kostuum keek, durfde ik dat tegen niemand te zeggen. Op een gegeven moment was ik het zat. Alles moest rauw, puur, confronterend en humor werd gezien als makkelijk en goedkoop. Terwijl ik juist geloof dat toegankelijkheid en humor kunnen raken.
Neem Snollebollekes. Je kunt zeggen dat die muziek niets voorstelt, maar Rob Kemps vult wel zeven keer het GelreDome, zonder subsidie. Iedereen zingt mee. Sterker nog: iedereen komt zodra dat nummer begint massaal in beweging.
Uiteindelijk besloot ik mijn scriptie hierover te schrijven om te laten zien dat zelfs iets wat als plat wordt gezien, mensen echt kan raken. Dat het gaat om wat je met materiaal doet, in plaats van het materiaal meteen af te schilderen als ‘plat en niet artistiek.’ Gelukkig is me dat gelukt – anders had ik een probleem gehad.”
Ordinaire ode aan de softie
Ordinaire ode aan de softie. “Dit is de titel van een van mijn shows. Ik geef, naast dat ik veel optreed, ook les aan kinderen. Ik merk dat bijna alle kids zich schamen om te huilen. Ze bieden dan hun excuses aan, alsof ze iets verkeerd doen. Dat doet me zoveel pijn. Ik denk dan: jongens, geen wonder dat er allemaal mensen met mentale problemen rondlopen?
Toen ben ik me gaan verdiepen in huilen. Wat blijkt? Huilen is nodig om overtollige hormonen kwijt te raken. Elke emotie heeft z’n eigen hormoon en als de ‘emmer’ vol is, moet het lichaam dat kwijt via tranen. Fascinerend toch? Daarom huil je van blijdschap, maar ook bij boosheid of verdriet.
Huilen is een signaal van het lichaam dat er iets niet goed gaat. Maar wij vertellen kinderen dat het zwak of gênant is. Wat willen we dan? Nog meer hardheid in de wereld? Tot nu toe heeft dat niet echt goed uitgepakt. Waarom zien we zachtheid als zwakte? Iedereen wil toch een zacht schapenkleedje op de vloer, niemand wil een kleed van bakstenen.
Ik wilde alleen geen zoetsappige, self-love show maken. Mijn voorstelling is rauwer, met muziek van Toybox, harde beats en nep face tatoeages.”
Ideetjes uit de trein, ineens op een podium
“Op het podium staan, dat is een gevoel waar geen drug tegenop kan. Het grappige is dat ik ooit droomde dat ik me moest inschrijven voor het Amsterdams Kleinkunst Festival (AKF) en ook wakker werd en wist: ik móét dat doen. Zonder die droom had ik het niet gedurfd. Uiteindelijk heb ik me vijf minuten voor de deadline aangemeld.
Bij de eerste ronde dacht ik continu: ‘Wat doe ik hier? Ik kan dit niet, ik kan dit niet’
Andere deelnemers hadden hele fanclubs meegenomen die bij elke grap uitbundig voor ze juichten. Dat maakte me ontzettend onzeker, ik wilde eigenlijk het liefst meteen wegrennen. Ik had niemand uitgenodigd, ik was zo bang om voor lul te staan. Maar toen rolde ik door naar de volgende ronde, en toen naar de ronde daarna, en de ronde dáárna. En opeens stond ik in de halve-finalistentournee.
De eerste keer dat we voor publiek optraden weet ik nog zo goed. Daar stond ik dan, voor een volle zaal, verhalen te vertellen die ooit in míjn hoofd waren ontstaan. Ideetjes die ik in de trein had gekrabbeld, die ineens tot leven kwamen voor een echt publiek. Dat gevoel was echt overweldigend. Ik was extatisch.
Ik heb daarna zeker een half uur op de grond in de coulissen gelegen, van: ‘Holy shit, ik had nooit durven dromen dat ik dit zou meemaken.’ Ik moest even gaan liggen om het allemaal te bevatten.”

Soms blijven mooie verhalen langer liggen dan de bedoeling is. Dat geldt ook voor deze Hoe-is-het-nu-met-je, waarvoor we graag onze excuses aanbieden. Het lag een jaar op de plank. Maar sommige verhalen verdienen het alsnog om verteld te worden. Zoals dat van Britt van Tooren, die na een droom besloot zich, vijf minuten voor de deadline, in te schrijven voor het Amsterdams Kleinkunst Festival. Een sprong in het diepe, vol twijfel, lef en onverwachte hoogtepunten. En precies daarom wilden we dit verhaal toch nog graag met jullie delen.
Ordinaire ode aan de softie










