Soms verandert niet het voorwerp, maar de manier waarop je ernaar kijkt
– Blog door Lex Icon
Ga naar alle blogs →
Eerst het bordje
Er was een tijd dat je op een afstudeerexpositie een stoel zag en dacht: stoel.
Tegenwoordig gaat dat iets anders. Je ziet een stoel, leest eerst het bordje en ontdekt dat het misschien helemaal geen stoel is. Het kan een onderzoek naar mycelium zijn, een experiment met vlasvezels of een verkenning van een nieuw productieproces. Daarna kijk je opnieuw. En eerlijk gezegd weet je het nog steeds niet helemaal zeker.
Dat is geen vergissing, maar een teken van de tijd. Veel hedendaagse ontwerpen laten zich niet in één oogopslag begrijpen. Niet omdat ze ingewikkeld willen zijn, maar omdat ze ergens anders beginnen. Het object is niet langer vanzelfsprekend het eindpunt van een idee. Soms is het juist het begin van een gesprek.
Wie een afstudeerexpositie bezoekt, merkt dat al snel. Je loopt van project naar project en merkt dat je minder zoekt naar het mooiste object dan naar de vraag die eraan voorafging. Waarom is dit gemaakt? Welk probleem onderzoekt het? En hoe kan een onderzoek er zo overtuigend uitzien als een meubel?
Misschien is dat wel de opvallendste ontwikkeling binnen het ontwerpvak. Niet dat ontwerpers fundamenteel andere dingen maken, maar dat ze ons uitnodigen anders te kijken.
Iedere tijd stelt andere vragen
Wie denkt dat dit een recente ontwikkeling is, hoeft maar een stap terug te doen. Ontwerp is altijd gevormd door de vragen van zijn tijd.
Toen de Industriële Revolutie productie ingrijpend veranderde, ontstond ook een debat over kwaliteit, vakmanschap en de relatie tussen maker en gebruiker. De Engelse ontwerper William Morris verzette zich niet tegen de machine op zichzelf, maar tegen de gedachteloze massaproductie die volgens hem ten koste ging van aandacht en ambacht. Voor hem mocht een voorwerp laten zien hoe het was gemaakt en welke zorg erin besloten lag.
Aan het begin van de twintigste eeuw zocht het Bauhaus juist naar een nieuwe verbinding tussen kunst, ambacht en industrie. Goed ontwerp moest bereikbaar zijn voor een breed publiek en passen bij een moderne samenleving. En toen dat modernisme later bijna vanzelfsprekend was geworden, stelde de Memphis Group weer heel andere vragen. Waarom moest een kast altijd bescheiden zijn? Waarom mocht een lamp geen uitgesproken karakter hebben? Hun ontwerpen waren speels, kleurrijk en soms opzettelijk ongemakkelijk. Juist daardoor zetten ze mensen opnieuw aan het denken.
De vorm veranderde, de vragen veranderden, maar de nieuwsgierigheid bleef. Misschien is dat wel de meest constante eigenschap van ontwerp.
Het verhaal vóór het voorwerp
Ook veel ontwerpers van nu beginnen niet met een schets van een stoel of een lamp, maar met een vraag. Waar komt een materiaal vandaan? Hoe kan een product langer meegaan? Wat gebeurt er als grondstoffen schaarser worden? En wat levert het op wanneer een ontwerper samenwerkt met een bioloog, programmeur of ambachtsman? Dat zie je terug op afstudeerexposities. Naast meubels, lampen en servies staan materiaalonderzoeken, installaties, experimenten en prototypes. Sommige groeien uit tot een product. Andere blijven bewust een onderzoek. Niet omdat ze onvoltooid zijn, maar omdat de zoektocht zelf iets zichtbaar maakt.

Veel ontwerpen beginnen met een vraag
Misschien is dat ook waarom dat bordje zo belangrijk is geworden. Het vertelt niet alleen wat je ziet, maar ook waar het ontwerp begon. Opeens gaat het niet alleen meer over vorm of functie, maar ook over materiaal, productie, keuzes en gevolgen. Het voorwerp blijkt onderdeel van een veel groter verhaal. En dat verhaal blijft niet achter in de tentoonstellingsruimte.
Na een middag tussen de afstudeerprojecten kijk je buiten ongemerkt anders om je heen. Een houten tafel is niet zomaar een tafel. Een wollen trui vertelt ineens iets over vezels en vakmanschap. Zelfs een eenvoudig drinkglas lijkt een geschiedenis te hebben die je eerder over het hoofd zag. Misschien is dat wel wat goed ontwerp uiteindelijk doet. Het verandert niet direct de wereld om ons heen. Het verandert eerst de manier waarop we ernaar kijken.
Als materiaal begint te spreken
Wie eenmaal anders naar een ontwerp kijkt, gaat vanzelf ook anders naar materialen kijken. Hout is niet alleen hout. Textiel is niet alleen een stof. Kunststof is niet uitsluitend een praktische keuze. Materialen dragen een geschiedenis met zich mee. Ze vertellen iets over herkomst, productie en gebruik. Wat ooit vooral achtergrond was, staat steeds vaker op de voorgrond.
Dat zie je terug in veel hedendaagse ontwerppraktijken. Reststromen uit de landbouw krijgen een nieuw doel, er wordt geëxperimenteerd met schimmels, zeewier en andere biobased materialen, en bestaande grondstoffen worden opnieuw bekeken. Niet omdat ieder nieuw materiaal automatisch duurzamer of beter is, maar omdat de materiaalkeuze zelf onderdeel is geworden van het ontwerp. De vraag is niet alleen wat iets is, maar ook waarom juist dit.
Daarmee verdwijnt schoonheid niet naar de achtergrond. Een stoel moet nog steeds prettig zitten en een lamp goed licht geven. Alleen eindigt het gesprek daar niet meer. Ook de weg ernaartoe doet ertoe: hoe iets is gemaakt, hoe lang het meegaat en wat er daarna mee gebeurt. Een voorwerp krijgt er geen extra functie bij, maar wel een extra laag.
Verder onder de foto

Wat vandaag experiment is, kan morgen vanzelfsprekend zijn
Wat een ontwerper eigenlijk ontwerpt
Daardoor verandert ook ons beeld van de ontwerper. Lange tijd zagen we vooral iemand die een vorm gaf aan een product. Tegenwoordig beweegt de ontwerper zich net zo gemakkelijk tussen onderzoek, ambacht, technologie en maatschappelijke vraagstukken.
Dat is zichtbaar in het werk van ontwerpers als Hella Jongerius, die onderzoekt hoe kleur, materiaal en vakmanschap onze waardering voor alledaagse voorwerpen beïnvloeden. Of bij Christien Meindertsma, die laat zien hoeveel verhalen schuilgaan achter producten die zo gewoon zijn geworden dat we ze nauwelijks nog opmerken. Hun werk geeft zelden pasklare antwoorden. Het nodigt vooral uit om opnieuw te kijken.
Die manier van werken zie je op steeds meer plekken terug. Ontwerpers werken samen met biologen, ingenieurs, programmeurs, historici en ambachtslieden. Niet omdat het ontwerpvak zijn grenzen heeft verloren, maar omdat de vragen van deze tijd zich niet netjes binnen één vakgebied laten beantwoorden.
Dat kan wel de grootste verschuiving zijn. Een ontwerper ontwerpt niet alleen een object, maar ook een manier om naar dat object te kijken.
Meer vragen dan antwoorden
Juist daarom zijn afstudeerexposities zulke interessante plekken. Natuurlijk staan er nog altijd stoelen, lampen en serviezen. Gelukkig maar. Maar ertussen vind je ook projecten die zich minder gemakkelijk laten benoemen. Materiaalstudies, prototypes, installaties en experimenten die niet per se bedoeld zijn om morgen in productie te gaan.
Dat vraagt soms iets van de bezoeker. Je kunt niet altijd in één oogopslag zien wat je voor je hebt. En misschien is dat precies de bedoeling. Niet ieder ontwerp wil direct een oplossing bieden. Soms begint een goed ontwerp met een scherpe vraag of een onverwachte observatie.
Waarschijnlijk verklaart dat ook waarom afstudeerexposities zoveel nieuwsgierigheid oproepen. Je ziet er niet alleen wat jonge ontwerpers maken, maar ook welke vragen zij belangrijk vinden. En nieuwsgierigheid heeft de prettige eigenschap dat zij zich gemakkelijk laat meenemen.
Anders naar huis
De meeste bezoekers verlaten een tentoonstelling zonder nieuw ontwerp onder hun arm. Hooguit met een folder, een paar foto’s of een notitie in hun telefoon.
Veel waardevoller is iets dat nauwelijks opvalt. De blik waarmee je naar buiten loopt. Ineens lijkt een houten tafel meer te vertellen dan alleen waarvoor hij is bedoeld. Een wollen trui roept vragen op over materiaal en maakproces. Een eenvoudig drinkglas blijkt minder vanzelfsprekend dan je dacht. De voorwerpen zijn niet veranderd. Jij bent alleen iets aandachtiger gaan kijken.
Verder onder de foto

Na een goede tentoonstelling kijk je ook thuis anders om je heen
Die manier van kijken zie je ook terug bij de ontwerpers die de afgelopen jaren een Keep an Eye Young Designer Grant ontvingen. Hun werk laat zich moeilijk onder één noemer vangen. Lisa Konno onderzoekt hoe kleding sociale verhalen kan vertellen, Olivier van Herpt verkent de mogelijkheden van digitale productietechnieken in keramiek en Manon van Hoeckel gebruikt ontwerp om maatschappelijke betrokkenheid zichtbaar te maken. Ook ontwerpers als Simone Post, Simon Dogger, Audrey Large, Cream on Chrome, Marcos Kueh en anderen laten zien hoe uiteenlopend het ontwerpvak inmiddels is. Hun materialen, werkwijzen en onderwerpen verschillen sterk, maar ze delen eenzelfde nieuwsgierigheid. Het ontwerp begint niet bij de vraag hoe iets eruit moet zien, maar waarom het gemaakt wordt, voor wie en welke betekenis het kan krijgen.
Juist daarin schuilt misschien wel de waarde van een prijs als de Keep an Eye Young Designer Grant. Niet omdat er één richting wordt aangewezen, maar omdat jonge ontwerpers de ruimte krijgen om hun eigen vragen verder te onderzoeken. De verscheidenheid onder de laureaten laat zien dat er geen vast recept bestaat voor goed ontwerp. Gelukkig maar.
Misschien is dat uiteindelijk ook de rode draad van dit verhaal. Goed ontwerp geeft niet altijd direct een antwoord. Het leert ons aandachtiger te kijken, betere vragen te stellen en nieuwsgierig te blijven naar de wereld om ons heen.
En heel af en toe begint dat gewoon… bij het bordje.

We zijn gewend om voorwerpen in een oogopslag te begrijpen. Een stoel is een stoel, een lamp een lamp en een tafel een tafel. Toch gebeurt er iets zodra je langer blijft kijken. Achter alledaagse objecten blijken verhalen schuil te gaan over materialen, makers, technologie en de keuzes die eraan voorafgingen. Design gaat allang niet meer alleen over wat we zien, maar ook over wat we ontdekken als we bereid zijn iets meer tijd te nemen. Misschien is dat wel de meest interessante ontwikkeling in het ontwerpvak van nu: niet dat de voorwerpen veranderen, maar dat onze blik verandert.










