De langstdurende foto ooit
In 1765 werd als derde kind in een gezin met vier in een klein plaatsje in het oosten van Frankrijk een man geboren: Joseph Niépce. Hij besloot later zijn voornaam te veranderen in het (veel pakkendere) Nicéphore – een verwijzing naar Nikephoros I van Constantinopel. (Dat was een Byzantijnse geestelijke die rond het jaar 800 een belangrijke rol speelde in de discussie rondom iconenverering: iets waar Nicéphore groot voorstander van was.)
Nicéphore Niépce (klinkt toch wel goed zo hè?) diende als stafofficier onder Napoleon Bonaparte, waar hij na korte tijd wegens gezondheidsproblemen ontslag moest nemen. Vervolgens werkte hij als bestuurder van het district Nice, waar hij (waarschijnlijk door impopulariteit) ontslag nam om zich volledig op wetenschappelijk onderzoek te kunnen richten.
Nicéphore en zijn broer Claude werkten samen aan uitvindingen en bedachten onder andere de weinig succesvolle pyréolophore (verbrandingsmotor). De teleurstelling rondom de pyréolophore bracht Claude tot waanzin. Hij verkwistte het familiefortuin in pogingen subsidies te krijgen voor het project en belandde in een delier en overleed uiteindelijk berooid en geestelijk in Engeland.
Door zijn interesse in lithografie en zijn bekendheid met de camera obscura begon Nicéphore met fotografische experimenten. Brieven aan zijn schoonzus rond 1816 tonen aan dat Niépce erin slaagde kleine camerabeelden vast te leggen op papier dat was bedekt met zilverchloride, waarmee hij waarschijnlijk de eerste was die hierin enig succes boekte. De resultaten waren echter negatieven—donker waar het licht moest zijn en omgekeerd—en hij vond geen manier om te voorkomen dat de beelden volledig verdonkerden zodra ze aan licht werden blootgesteld om bekeken te worden.
Verder onder de foto

Niépce ging experimenteren met bitumen van Judea, een stof die minder oplosbaar wordt wanneer deze aan licht wordt blootgesteld. Hij bracht een dunne laag bitumen aan op een oppervlak, legde daar een afbeelding op en stelde dit geheel bloot aan zonlicht. Daarna spoelde hij de niet-belichte delen weg, waardoor een beeld ontstond dat gebruikt kon worden voor etsen of druktechnieken. Hij noemde zijn proces heliografie, wat letterlijk “zonnetekening” betekent.
De oudst bewaarde heliografieën van zijn hand dateren uit 1825 en omvatten onder andere een zogenoemde foto-ets van een Vlaamse gravure van een man met een paard. Uit Niépces correspondentie met zijn broer Claude blijkt dat zijn eerste echte succes met bitumen -het maken van een permanente foto met een camera obscura waarschijnlijk in / rond 1826 plaatsvond. Het resultaat is tegenwoordig de oudste bekende camerafoto die nog bestaat. Het beeld raakte begin 20e eeuw zoek, maar werd in 1952 teruggevonden door fotografiehistorici Helmut en Alison Gernsheim. De belichtingstijd van de foto waarop het uitzicht vanuit zijn werkkamer te zien is, wordt vaak geschat op acht of negen uur.
Van heliografie naar fotografie
Hoewel Niépce tegenwoordig bekendstaat als de grondlegger van de fotografie, maakte hij niet meer mee hoe groot zijn uitvinding zou worden. In zijn laatste levensjaren werkte hij samen met Louis Daguerre, een Parijse kunstenaar die vooral bekend was om zijn spectaculaire diorama’s. Het was precies het soort man dat nodig was om een technische uitvinding onder de aandacht van het grote publiek te brengen.
Na de dood van Niépce presenteerde Daguerre in 1839 de daguerreotypie. Dat jaar wordt vaak gezien als het officiële geboortejaar van de fotografie, ook al had Niépce ruim tien jaar eerder zijn eerste succesvolle foto’s gemaakt.
De daguerreotypie leverde veel scherpere beelden op, maar iedere foto bleef een uniek exemplaar. Er bestond nog geen negatief waarmee meerdere afdrukken konden worden gemaakt. Wie een daguerreotypie bezat, had letterlijk het enige exemplaar ter wereld.
Toch sloeg de techniek meteen aan. Voor het eerst konden ook gewone mensen zich laten portretteren. Eeuwenlang was een geschilderd portret iets geweest voor koningen, edelen en rijke burgers. Nu werd een portret ineens bereikbaar voor veel meer mensen.
Dat ging overigens niet altijd even comfortabel. Omdat de belichtingstijd nog steeds enkele minuten bedroeg, moesten mensen vrijwel onbeweeglijk blijven zitten. Sommige studio’s gebruikten zelfs metalen hoofdsteunen om beweging te voorkomen. Wie ooit heeft geklaagd over een ongemakkelijke schoolfoto mag zich gelukkig prijzen dat hij niet in 1845 werd geboren.
Verder onder de foto

Iedereen op de foto
Daarna ging het snel. Nieuwe technieken maakten fotografie goedkoper, scherper en vooral sneller. Overal in Europa en Noord-Amerika verschenen fotografische studio’s. Gezinnen lieten huwelijken en kinderen vastleggen en soms zelfs overleden familieleden. Dat laatste klinkt tegenwoordig misschien wat macaber, maar in een tijd waarin mensen vaak maar een paar afbeeldingen van hun dierbaren bezaten, kon zo’n foto een waardevolle herinnering zijn.
Ook overheden ontdekten de mogelijkheden. Politici lieten zich fotograferen, wetenschappelijke expedities namen camera’s mee en politiediensten begonnen portretfoto’s van verdachten te verzamelen. De camera veranderde langzaam van een wetenschappelijke curiositeit in een praktisch hulpmiddel.
Een belangrijke doorbraak volgde in 1888, toen George Eastman de Kodak-camera introduceerde. Zijn bedrijf adverteerde met de slogan: “You press the button, we do the rest.” De gebruiker hoefde niet langer verstand te hebben van chemicaliën, glasplaten of donkere kamers. Een rolletje volschieten was genoeg; de rest deed Kodak.
Fotografie werd daarmee voor het eerst een hobby voor gewone mensen.
Verder onder de foto

Maar is het ook kunst?
Naarmate fotografie populairder werd, ontstond een nieuwe vraag. Was een foto eigenlijk wel kunst? Veel mensen vonden van niet. Een schilder maakte bewust keuzes over kleur, compositie en vorm, terwijl een fotograaf volgens hen alleen op een knop hoefde te drukken.
Toch dachten fotografen daar zelf heel anders over. Een van hen was Julia Margaret Cameron. Zij begon pas op latere leeftijd met fotograferen, maar ontwikkelde al snel een heel eigen stijl. Haar portretten waren vaak zacht van focus en soms zelfs een beetje onscherp. Waar anderen dat als een fout zagen, gebruikte Cameron het juist om meer gevoel en karakter in haar foto’s te leggen. Ze wilde niet alleen laten zien hoe iemand eruitzag, maar vooral wie die persoon was.
Steeds meer fotografen gingen op die manier experimenteren. De camera werd niet langer alleen gebruikt om de werkelijkheid vast te leggen, maar ook om een eigen verhaal te vertellen. Fotografen als Alfred Stieglitz zetten zich ervoor in om fotografie als volwaardige kunstvorm erkend te krijgen. Dat lukte uiteindelijk behoorlijk goed. Denk aan toonaangevende musea als Foam in Amsterdam, het Nederlands Fotomuseum in Rotterdam en het George Eastman Museum in de Verenigde Staten.
Verder onder de foto

Fotografie verandert de wereld
Fotografie bleek niet alleen geschikt voor kunst. Ze veranderde ook de manier waarop mensen naar de wereld keken. Tijdens de Krimoorlog verschenen de eerste oorlogsfoto’s en later trokken fotografen naar fabrieken, mijnen en arme stadswijken om te laten zien hoe mensen leefden. Voor veel mensen was dat de eerste keer dat ze zulke beelden met eigen ogen zagen.
Een van de bekendste voorbeelden is Dorothea Lange. Tijdens de Grote Depressie fotografeerde zij gezinnen die door de economische crisis in armoede leefden. Haar foto Migrant Mother werd een symbool van die moeilijke tijd en hielp zelfs om aandacht en steun te krijgen voor de getroffen gezinnen. Daarmee liet fotografie zien dat een beeld soms meer kan bereiken dan een lang verhaal.
In de twintigste eeuw kreeg fotografie er nog een nieuwe taak bij. Filmsterren, politici en later ook popsterren werden dankzij foto’s over de hele wereld herkenbaar. Toen digitale camera’s en daarna de smartphone verschenen, veranderde fotografie opnieuw. Iedereen liep ineens met een camera op zak. Foto’s werden niet langer alleen gemaakt om bijzondere momenten te bewaren, maar ook om direct met anderen te delen. Waar de eerste fotografen uren nodig hadden voor één opname, worden tegenwoordig elke dag miljarden foto’s gemaakt.
Verder onder de foto

En toen.. veranderde alles opnieuw
Lange tijd gold een foto als behoorlijk betrouwbaar bewijs. Natuurlijk kon een fotograaf slim kiezen wat er wel en niet in beeld kwam, maar als iets eenmaal op de foto stond, gingen de meeste mensen ervan uit dat het ook echt zo was gebeurd.
Toch werd er al veel langer met foto’s geknoeid dan je misschien zou denken. In de Sovjet-Unie verdwenen politici die uit de gratie waren geraakt soms letterlijk uit officiële groepsfoto’s. Alsof ze nooit hadden bestaan. Ook in advertenties werden foto’s regelmatig bijgewerkt. Een puistje verdween, een rimpel werd gladgestreken en een product zag er nét iets aantrekkelijker uit dan in werkelijkheid.
Met de komst van computers werd dat alleen maar makkelijker. Iedereen met een beetje geduld en een fotobewerkingsprogramma kon mensen laten verdwijnen, een nieuwe achtergrond toevoegen of twee foto’s naadloos samenvoegen. Dat betekende niet meteen dat elke foto verdacht was, maar wel dat een foto niet langer automatisch de waarheid vertelde.
De nieuwste stap is kunstmatige intelligentie. Tegenwoordig kun je een computer vragen om een foto te maken van een gebeurtenis die nooit heeft plaatsgevonden. Een paus in een hippe witte jas, een beroemdheid op een plek waar hij nooit is geweest of een politicus die iets lijkt te doen wat nooit is gebeurd: het kost soms maar een paar seconden. Zulke beelden worden regelmatig gebruikt om nepnieuws geloofwaardiger te maken. Een opvallende foto wordt nu eenmaal sneller gedeeld dan een lange uitleg.
Misschien is dat wel de grootste verandering in tweehonderd jaar fotografie. Waar mensen vroeger vooral probeerden foto’s te maken, moeten we tegenwoordig soms eerst uitzoeken óf een foto eigenlijk wel echt is.
Toen Nicéphore Niépce rond 1826 vanuit zijn werkkamer zijn eerste foto maakte, kon hij onmogelijk vermoeden wat daaruit zou ontstaan. Zijn eerste opname kostte waarschijnlijk een groot deel van een dag. Tegenwoordig lukt het sommige mensen om in dezelfde tijd honderden foto’s van hun kat te maken. 🙂

Mensen maken graag foto’s van dingen. Van hun kinderen. Van hun vakantie. Van zichzelf tijdens hun vakantie. Van hun eten. Er bestaan inmiddels waarschijnlijk meer foto’s van cappuccino’s dan er ooit cappuccino’s zijn geweest. Dat was ooit anders. Er was een tijd waarin niemand een foto had. Niet van zijn bruiloft, niet van zijn ouders en zelfs niet van zijn kat. Wilde je weten hoe je overgrootvader eruitzag, dan moest je hopen dat iemand hem ooit had geschilderd. Tot iemand bedacht dat het misschien mogelijk was om licht een afbeelding te laten maken. Dat bleek te kunnen. Je moest alleen wel een paar uur wachten.










