Mag ik ook gewoon kijken?
Er is iets aan de hand in de kunst- en cultuurwereld. Kijken is niet meer genoeg. Luisteren trouwens ook niet. Wie tegenwoordig een museum, theater, concertzaal of festival bezoekt, wordt geacht iets te beleven. Liefst volledig. We moeten worden meegenomen, geraakt, verrast, geprikkeld en — het woord duikt werkelijk overal op — ondergedompeld. Tentoonstellingen zijn immersief, concerten zijn experiences, festivals bouwen werelden en theatermakers doorbreken graag de vierde wand. Dat klinkt allemaal prachtig. Alleen: ik wil helemaal niet altijd ondergedompeld worden. Soms wil ik gewoon ergens naar kijken.
Dat lijkt een bescheiden wens, maar hij wordt steeds moeilijker uitvoerbaar. De gewone tentoonstelling, waarbij kunst aan een muur hangt en de bezoeker daar op eigen kracht iets van probeert te vinden, begint bijna ouderwets te voelen. Tegenwoordig kan een schilderij ook twintig meter hoog op een muur worden geprojecteerd, terwijl de penseelstreken langzaam over de vloer bewegen en speciaal gecomponeerde muziek de emotionele richting aangeeft. Liefst gebeurt er ook iets met licht. Of mist. Of allebei. Voor je het weet dwarrelen de zonnebloemen van Van Gogh over je schoenen en bevind je je volgens de brochure niet langer vóór het kunstwerk, maar ín het kunstwerk. Iets waarvan ik vermoed dat Van Gogh zelf het behoorlijk benauwd zou hebben gekregen.
Stap in de wereld van…
Dat is sowieso een formulering om voorzichtig mee te zijn. Stap in de wereld van. Je komt hem overal tegen. Stap in de wereld van Rembrandt. Van Frida Kahlo. Van Mozart. Van de Romeinen. Van dinosauriërs, ruimtevaart of het oude Egypte. Kennelijk kunnen we niet meer gewoon ergens kennis mee maken; we moeten er onmiddellijk in. Met projecties, geluid, augmented reality en bij voorkeur een VR-bril die na vier minuten langzaam van je neus zakt.
Technologie kan natuurlijk fantastische nieuwe kunst opleveren. Dat is het punt niet. Kunstenaars hebben altijd nieuwe middelen gebruikt zodra die beschikbaar kwamen, en gelukkig maar. Zonder experiment zouden we nog steeds met een stuk houtskool een bizon op de muur tekenen. Hoewel daar, eerlijk gezegd, nog steeds weinig mis mee is.
Interessanter is de vraag waarom we bestaande kunst steeds vaker denken te moeten opwaarderen tot een ervaring. Alsof een schilderij alleen niet meer genoeg kan zijn. Alsof Mozart hulp nodig heeft van een lichtshow. Alsof Vermeer ergens in zijn oeuvre een cruciale kans heeft laten liggen door geen surround sound toe te voegen.
En begrijp me goed: als een kunstenaar met licht, geluid en technologie een compleet nieuwe wereld weet te scheppen, ben ik de eerste die nieuwsgierig naar binnen loopt. Juist dat soort experimenten maakt kunst spannend. Maar er is een verschil tussen iets nieuws creëren en iets bestaands optuigen omdat we bang zijn dat het anders niet genoeg indruk maakt.

Beethoven met een vleugje cederhout
Ook in de muziek is gewoon luisteren inmiddels een verrassend behoudende activiteit geworden. Een concert kan tegenwoordig worden aangevuld met visuals, storytelling, videokunst, lichtontwerp en scenografie. Soms zelfs met geur. Daar ligt wat mij betreft een duidelijke grens.
Muziek heeft duizenden jaren uitstekend gefunctioneerd zonder geur.
Beethoven schreef negen symfonieën zonder één keer in de partituur te vermelden dat het tweede deel bij voorkeur vergezeld moest gaan van subtiele tonen van cederhout, vochtige aarde en pas gemaaid gras. Bach liet opvallend weinig instructies achter over projectiemapping. En Miles Davis heeft, voor zover bekend, nooit geëist dat tijdens een trompetsolo een zaal langzaam paars zou kleuren zodat het publiek de melancholie beter begreep.
Misschien vertrouwden ze erop dat de muziek zelf iets zou doen. Dat is eigenlijk een behoorlijk radicale gedachte geworden.
Als de acteur naar je kijkt
In het theater bestaat ondertussen een ander gevaar: participatie. Ook daar kan iets prachtigs uit ontstaan. Er zijn makers die de grens tussen publiek en performer op een manier doorbreken waardoor je anders naar theater gaat kijken. Maar er bestaat ook een categorie bezoekers — ik behoor daartoe — die een stilzwijgende afspraak met acteurs bijzonder op prijs stelt. Zij staan op het podium. Wij zitten in het donker. Zij hebben gerepeteerd. Wij niet.
Zodra een acteur de zaal inloopt en vraagt: ‘Wie van jullie heeft ooit echte liefde gevoeld?’, verandert mijn lichaamshouding onmiddellijk. Ik bestudeer mijn schoenen. Mijn programma. Een interessant schroefje in de stoel voor mij. Alles om duidelijk te maken dat zich op rij zeven absoluut niemand bevindt die geschikt is voor participatie.
Naast mij zit natuurlijk altijd iemand die daar anders over denkt. Die steekt meteen zijn hand op. ‘Ik!’
Dat zijn bijzondere mensen. Ze bestaan ook bij goochelaars, straatartiesten en comedyshows en hebben kennelijk nooit de angst ontwikkeld om voor een zaal vol vreemden een denkbeeldige pinguïn te moeten uitbeelden. We hebben ze nodig. Dankzij hen kan de rest blijven zitten.
Van bezoeker naar deelnemer
Festivals gaan nog een stap verder. Daar ben je steeds minder vaak simpelweg bezoeker. Je bent deelnemer aan een community, onderdeel van een tijdelijke wereld waarin muziek, kunst, eten, ontmoeting en verwondering samenvloeien. Vroeger heette dat een veld met drie podia en een frietkraam, maar dat klinkt tegenwoordig vermoedelijk onvoldoende transformerend.
Zelfs die frietkraam is veranderd. Daar koop je geen patat meer, maar handgesneden aardappel met huisgemaakte truffelemulsie. Negen euro. Exclusief statiegeld voor het bakje.
Dat klinkt flauw, maar er zit iets interessants onder. Cultuur concurreert tegenwoordig niet alleen met andere cultuur. Een tentoonstelling concurreert met Netflix, TikTok, games, festivals, citytrips en een telefoon waarop binnen drie seconden iets nieuws gebeurt zodra het vorige niet boeiend genoeg blijkt. Het is dus begrijpelijk dat musea, theaters en concertzalen zoeken naar manieren om publiek te verleiden. Zeker jong publiek. Niemand kan een instelling kwalijk nemen dat ze probeert de deuren open te zetten voor mensen die niet vanzelf binnenkomen.

Dat neemt niet weg dat zulke vormen veel kunnen toevoegen. Een sterke immersieve installatie kan je iets laten ervaren wat met een schilderij aan de muur simpelweg niet mogelijk is. Een participatieve voorstelling kan publiek uit zijn veilige stoel halen en een museum kan met technologie mensen bereiken die anders nooit binnen zouden stappen. Dat is winst. Het wordt pas vermoeiend wanneer de extra laag niet meer uit het kunstwerk voortkomt, maar bijna een standaardverpakking wordt. Alsof kunst pas aantrekkelijk genoeg is zodra er licht, geluid, interactie en een QR-code omheen zitten. Verwarren we toegankelijkheid soms met spektakel?
Scan voor verdieping
En dan is er nog de QR-code. De stille held van de moderne cultuurbeleving. Hij hangt naast schilderijen, staat op programmaboekjes, hangt aan festivalhekken en is soms op plekken waar vroeger gewoon een bordje met drie regels tekst hing. Scan voor verdieping.
Dat doe ik natuurlijk. Vervolgens beland ik op een pagina waar wordt uitgelegd dat de maker ‘een dialoog aangaat met de spanning tussen fysieke aanwezigheid en digitale identiteit’. Er zijn drie filmpjes, een interview van twaalf minuten en een knop met ontdek meer.
Ik stond naar een vaas te kijken. Ik vond hem mooi. Dat was mijn verdieping.
Kan dat het echte probleem zijn? We lijken steeds minder vertrouwen te hebben in het moment waarop er even niets tussen een kunstwerk en een bezoeker staat. Geen uitleg, geen telefoon, geen experience designer en geen stem die vertelt waar je naar moet kijken. Alleen dat ding. En jij.
Dat kan ongemakkelijk zijn. Je weet soms niet onmiddellijk wat je ervan vindt. Misschien vind je zelfs helemaal niets. Maar dat is niet erg. Kunst hoeft niet binnen zeven seconden resultaat op te leveren.

Kunst mag best even niets doen
Sterker nog: misschien begint kijken pas als er een tijdje niets gebeurt. Je staat voor een schilderij en in eerste instantie zie je een landschap. Na een minuut zie je het licht. Nog wat later merk je een figuurtje op dat je eerder niet had gezien. Bij muziek gebeurt hetzelfde. Een melodie die je de eerste keer niets deed, blijft ineens hangen. Een voorstelling waarvan je tijdens het applaus nog niet wist wat je ervan vond, duikt drie dagen later onder de douche weer op.
Dat is óók een ervaring. Alleen is hij lastig te verkopen. ‘Kom naar onze tentoonstelling en misschien gebeurt er de eerste twintig minuten helemaal niets’ is vermoedelijk geen campagne waar de marketingafdeling onmiddellijk budget voor vrijmaakt. Toch zou het verfrissend zijn. Want niet alles hoeft groter, dichterbij en meeslepender te worden. Soms mag kunst op enige afstand blijven. Ze hoeft niet voortdurend onze aandacht te grijpen. Ze mag erop vertrouwen dat wij een stap naar háár zetten.
Dat kan zelfs een van de mooiste dingen aan kunst zijn: dat ze niet precies doet wat wij willen. Ze hoeft ons niet te vermaken, te bevestigen of bij de hand te nemen. Een kunstwerk mag vreemd zijn. Moeilijk. Stil. Irritant. Ontroerend zonder dat we weten waarom. Of gewoon mooi.
Een nieuwe culturele stroming
Daarom stel ik een nieuwe stroming voor: de niet-immersieve kunstbeleving.
Het concept is eenvoudig. Je koopt een kaartje en gaat naar binnen. Daar is kunst. Niemand raakt je aan. Niemand vraagt naar je diepste gevoelens. Er worden geen zonnebloemen over je lichaam geprojecteerd en je hoeft geen app te downloaden voordat je überhaupt begrijpt waar de ingang is. Bij concerten spelen muzikanten muziek. In het theater blijven acteurs op veilige afstand. Een museum beschikt over muren. Daar hangt af en toe iets aan. Revolutionair.
Er hoeft ook geen route te zijn die je ‘meeneemt op een reis’. Je mag zelf bepalen of je linksaf of rechtsaf gaat. Je mag ergens drie seconden naar kijken en ergens anders twintig minuten. Je mag iets prachtig vinden zonder te weten waarom. Je mag iets verschrikkelijk vinden terwijl de catalogus beweert dat het een sleutelwerk binnen het hedendaagse discours is.
En als je uiteindelijk weer naar buiten loopt, staat er niemand met een tablet die vraagt: ‘Wat neem je mee uit deze ervaring?’ Mijn jas. Als ik hem tenminste nog kan vinden.

Een avondje cultuur klinkt nog altijd aangenaam overzichtelijk. Je koopt een kaartje, gaat ergens zitten of staan en laat andere mensen het moeilijke werk doen. Zij schilderen, spelen, zingen of dansen. Jij kijkt, luistert en probeert er op enig moment iets van te vinden. Mooie taakverdeling. Tenminste, dat zou je denken. De moderne cultuurbezoeker wordt geacht aanzienlijk meer mee te brengen dan alleen belangstelling en een geldig toegangsbewijs. Er wordt iets van je verwacht. Je moet openstaan, ontdekken, je laten verrassen en vooral niet te passief achteroverleunen.










