Jong Metropole: waar muziek beweegt
Simon Dobson – dirigent, componist en arrangeur – sleepte meerdere prestigieuze prijzen in de wacht, waaronder maar liefst drie keer de British Composer Award (de BASCA’s Composer of the Year). Hij beweegt zich soepel tussen symfonisch repertoire en de wereld van hedendaagse pop en rock. Zo bracht hij de snoeiharde metalcoreband ‘Bring Me The Horizon’ naar de Royal Albert Hall en werkte hij samen met artiesten als Alter Bridge, George Ezra en Sigma, naast toporkesten als het Metropole Parallax Orchestra en het Heritage Orchestra. Dobson wordt ook gezien als een van de invloedrijkste hedendaagse componisten voor brassbands wereldwijd.
Toeren op niveau is voor 95 procent zoeken naar een stopcontact
Simon Dobson keert dit jaar terug bij Jong Metropole. De Britse dirigent, componist en arrangeur wil af van het brave stilzitten in de concertzaal. “Ik kwam altijd in de problemen: elke vezel in mijn lichaam wilde headbangen.”
“Als ik voor een orkest sta, draait het om voorbereiding en focus. Ik bereid me extreem goed voor, tot ik de muziek inside out ken.
En die focus: ik heb ADHD. Op het podium is dat mijn grootste superkracht: intense concentratie. Er bestaat dan niets anders meer. Alleen de mensen, de klanken en de vibraties van dat moment.
Van nature ben ik vrij angstig, ik denk door die ADHD. Er waren tijden dat een winkel binnenlopen al voelde als het begin van een paniekaanval. Maar zodra ik op het podium ben, is die angst weg. Het is als meditatie, maar dan met vijftig musici tegelijk.”
Gratis joy, elke repetitie opnieuw
Je staat dit jaar opnieuw voor Jong Metropole. Wat kun jij leren van deze conservatoriumstudenten?
“Het eerste project met JM was life-changing. Ik weet niet wat er precies gebeurde, maar ik kwam thuis in een soort roes. Het zijn stuk voor stuk fantastische muzikanten, stralende stuiterballen, er zit zóveel energie in die groep. Als je die energie kunt bundelen, want er is altijd het risico dat plezier rommelig wordt, dan ontstaat er iets magisch.
Bij sommige meer traditionele orkesten waar ik mee heb gewerkt, ik noem geen namen, ontbreekt de joy en de soul. En ja, ik weet dat ik in de positie zit om dat te zeggen, maar eerlijk: als je geen geluk vindt in de muziek, waarom doe je het dan? Zelfs als je ervoor betaald krijgt?
Jong Metropole is een groep die gratis joy uitdeelt. Dat is goud.”
Hoe houd je dat plezier wel je hele carrière vast?
“Dat is zo’n grote vraag. Eén ding is zeker: houd je oren open. Luister naar zoveel mogelijk verschillende soorten muziek. Als je echt openstaat, zul je altijd iets nieuws vinden dat die spark aanwakkert.
Tijdens een lange treinreis laatst luisterde ik eerst naar zeven Beethoven-symfonieën, daarna naar twee vroege Ice-T-gangster-rapalbums en ik sloot weer af met Beethoven.
En nog iets heel belangrijks: je ego is je grootste vijand. Zodra je denkt: ik ben er wel, ik kan dit, ik ben uitontwikkeld, dan is dat het moment waarop je ophoudt nieuwe dingen uit te vinden. Ik ben pas net begonnen, zit op nog geen twintig procent van waar ik wil zijn.”
Lees verder onder de foto

Zit je eigen ego je weleens in de weg?
“Oh ja, we vechten allemaal tegen ons eigen ego, of we dat nu doorhebben of niet.
Om zo egoloos mogelijk voor een orkest te staan, is voor mij een levenslange oefening. Want we zijn nu eenmaal geconditioneerd om onszelf voorop te zetten. Maar in de muziek werkt dat niet. Je moet jezelf steeds weer in dienst stellen van het orkest.”
Percussionist Nikita Nikolova zei dat jij musici trots en vertrouwen geeft. Waarom is dat zo belangrijk?
“Als ik ze vertrouwen geef, spelen ze beter en hebben ze meer plezier, en maken ze daardoor weer betere muziek. Die energie nemen ze mee in hun carrière: ze groeien, worden beter.
De dagen van dirigenten die boven het orkest staan, zijn voorbij. Zeker bij het JM wil ik onderdeel zijn van het ensemble. Spelers moeten voelen: een dirigent is niet hun boss. Ik ben alleen een beetje verder, omdat ik ouder ben.”
Biertje, bar en een Snarky Puppy-tune
Violist Sybren Holwerda zei: “Simon voelde als een van ons. Na repetities bleef hij hangen om te jammen of gewoon een biertje te drinken.”
“Normaal is het zo: repetitie voorbij, iedereen denkt: oké, naar huis. Maar bij JM, zodra de repetitie stopte, speelden ze door.
Tijdens onze eerste tour werkten we samen met de Engelse toetsenist, componist en arrangeur Bill Laurance (onder andere van Snarky Puppy). Ik ben groot fan van hem. Bij onze eerste ontmoeting zei ik: ‘Bill, geef me vijf minuten om mijn fangirl-stuff uit de weg te krijgen.’ We gingen eten en toen kwam er een appje: de musici zaten in een bar, twintig meter verderop.
Toen we binnenstapten speelden ze een Snarky Puppy-tune. Bill deed zijn jas uit, liep naar het midden van de ruimte en begon achter de piano te spelen. Ik ook, al had ik lang niet gespeeld, dus het klonk niet best. Maar dat vergaven ze me.”
Hoe zag jouw eigen muzikale jeugd eruit?
“Ik speelde al heel jong in brassbands, ik was elf. Mijn moeder zorgde ervoor dat ik altijd naar mijn repetities ging; mijn vader was amateur-tubaspeler in een brassband én dirigent.
Muzikaal leerde ik daar enorm veel, want die muziek was extreem complex. Het gaf me een ijzersterke basis. Maar vrijheid was er nauwelijks: geen jazz, geen improvisatie, en vaak nogal tirannieke dirigenten.
Ik stopte met die bands toen ik zeventien of achttien was, maar ik schrijf nog steeds voor brassbands over de hele wereld. Ik ben blij dat ik een voet in die wereld heb. Veel van die bands spelen hardcore, eigentijdse muziek. Het is echt insane wat ze kunnen.
Ik schreef ooit een stuk voor de kampioensbrassband van Zwitserland en gaf die muziek aan de spelers, terwijl ik dacht: dit ligt waarschijnlijk buiten hun bereik. Het zat namelijk op de uiterste technische grens van wat speelbaar is. Maar ze speelden het gewoon.
Het is vaak niet cool hoe ze eruitzien, met hun uniformen en zo; er is niks hips aan brassbands. Maar als je daar doorheen kunt kijken, ontdek je een van de meest absurde vormen van musicianship die je ooit meemaakt.”
Lees verder onder de foto

Heb je weleens geen zin om aan het werk te gaan?
“Ik heb de beste baan ter wereld. Natuurlijk zijn er momenten tijdens het componeren waarop ik denk: oké, hier moet ik even doorheen. Maar 95% van wat ik doe is mijn droomjob. Als ik voor een orkest sta zit ik in een totale flow. En als al het harde werk gedaan is – alles gesculpt en gemould en precies zoals het moet zijn – dan blijft er nog maar één ding over: dansen voor het orkest.
De dagen waarop je in je stoel moet blijven zitten en alleen mag klappen wanneer dat mag, die moeten voorbij zijn. Er moet meer joy en energie in muziekperformances. Hoe geweldig zou het zijn om mensen in hun stoelen te zien rocken?”
Klassiek mag ook knallen
Jong Metropole is een en al energie en groove, maar bij klassieke concerten moet je toch vooral stilzitten?
“Juist niet. Shostakovich’ Tiende. Het Requiem van Verdi. The Rite of Spring. Of Bartóks Concerto. Dat is heavy metal voordat er heavy metal was.
Toen ik student was, kwam ik altijd in de problemen. Ik kon nooit stilzitten. Elke vezel in mijn lichaam wilde bewegen en headbangen.
Bij JM was er trouwens niet veel voor nodig om de musici en het publiek los te krijgen. En man, dat zou ik zó graag zien in klassieke concerten.”
Lees verder onder alle foto’s van dit concert
Kun je, als je een orkest ziet, de grootste talenten er meteen uitpikken?
“Je ziet het in microreacties: in de manier waarop iemand reageert op de omgeving en de muziek, en in hoe iemand beweegt, merk je hoe diep hij de muziek begrijpt.
Want je kunt iemand technisch perfect leren spelen, maar je kunt iemand niet leren om de muziek echt te begrijpen. Musicianship gaat ook over wie je bent als persoon. Om ‘how you put yourself out there’.
Want wat je muzikaal zegt is het meest waarachtige dat je ooit kunt zijn. Zeker als je jamt of improviseert kún je niet liegen. Dus als ik twee jonge spelers van Jong Metropole zie battelen, dan is dat de diepste verbinding die die twee mensen kunnen hebben.”
Speel je zelf nog?
“Ja, trompet, al kom ik niet meer in de buurt van drie, vier jaar geleden. Toen speelde ik in verschillende bands en was ik constant op tour. Maar het tourleven werd te vermoeiend.
Ik zit inmiddels aan de verkeerde kant van de veertig en wie denkt dat toeren glamoureus is, is nog nooit op tour geweest. Toeren op het niveau waarop ik dat deed, is voor 95 procent zoeken naar een stopcontact en elkaars zweet ruiken in een busje.
Dat ene uur op het podium vond ik fantastisch. Maar ergens besefte ik dat ik mijn droomwerk – dirigeren, arrangeren, componeren – probeerde te proppen rondom slecht betaalde tours. Dus ik moest kiezen.
Ik heb nog steeds mijn eigen band. Afgelopen festivalseizoen deden we tien shows in de zomer, maar nu bepaal ik zelf hoe vaak we spelen. Het is wel moeilijker om goed te zijn: ik moet langer oefenen voor een show en ik speel zelfs niet een kwart zo goed als vroeger. Maar het is pure joy.”














